Wijnstokmijt
Kenmerken van de plaag
Geelwitte tot roze gekleurde mijt, met een cilindrisch lichaam dat naar de achterkant toe lichtjes versmalt, en twee paar poten. Het vrouwtje is 0,16 mm lang, het mannetje is kleiner. Veroorzaaker van viltvorming (erinosis) bij de wijnstok. Op de bovenzijde van het blad opvallend bolstaande, verschillend grote en gevormde, groene of rood gekleurde blaasjes. Aan de onderzijde van de blaasjes bevindt zich een typische „viltachtige”, witachtige, later beige tot bruin gekleurde begroeiing van trichomen (erineum). In uitzonderlijke gevallen vormt het erineum zich ook aan de bovenzijde van de bladschijf en op de bloeiwijzen, of treedt bladkrulling op.
Levenscyclus
De vrouwtjes overwinteren, voornamelijk achter de schubben van de knoppen. In het voorjaar verlaten ze hun schuilplaatsen en zuigen ze aan jonge scheuten. Nadat de bladeren zich hebben ontplooid, zuigen ze bijna uitsluitend aan de onderkant van de bladeren. Door het zuigen veroorzaken ze de vorming van galletjes en erineum. Daarin leven de mijten en planten ze zich voort. Geleidelijk aan verlaten ze de galletjes op oudere bladeren en trekken ze naar de hogere bladlagen.

